Arbeidsmigratie wordt vaak gepresenteerd als iets dat ons overkomt. Als een noodzakelijk gevolg van economische groei.
Maar dat beeld klopt niet. Arbeidsmigratie ontstaat niet vanzelf. Het is het resultaat van de manier waarop we onze economie hebben ingericht. En precies daar gaat het debat vaak mis.
Probleem zit in het systeem
Zolang we arbeidsmigratie behandelen als een losstaand vraagstuk, blijven we kijken naar de gevolgen in plaats van naar de oorzaken. Terwijl die oorzaken wel degelijk zichtbaar zijn, juist ook in Zuid-Holland. In de tuinbouw van het Westland, in de logistiek langs de snelwegen en in het Haven Industrieel Complex zien we een economie die structureel leunt op laagbetaald werk. Werk dat weinig perspectief biedt en dat we steeds minder aantrekkelijk organiseren voor de mensen die het moeten uitvoeren.
Arbeidsmigranten zijn daarin geen probleem. Integendeel: ze houden onze economie draaiend. Het probleem zit in het systeem waarin dat werk georganiseerd wordt.
In Zuid-Holland moeten we, gezien de omvang van arbeidsmigranten in het totale arbeidspotentieel, het verschil maken. Door te sturen op projecten en organisaties die arbeidsmigranten niet alleen inzetten, maar ook mogelijkheden bieden om te ontwikkelen.
Volwaardig onderdeel van een economie met perspectief.
Op Europees niveau zijn er middelen beschikbaar om te investeren in scholing, taal en duurzame inzetbaarheid van werkenden, juist ook van arbeidsmigranten. Er zijn al goede voorbeelden die veel beter zichtbaar zouden moeten zijn en die kunnen worden opgeschaald. Daarmee verschuift arbeidsmigratie van een tijdelijk instrument naar een volwaardig onderdeel van een economie met perspectief.
We zien de gevolgen van dat systeem terug in onze woonwijken. In verkamering, in druk op voorzieningen en in een woningmarkt waarin huizen steeds vaker onderdeel worden van een verdienmodel. Zonder duidelijke voorwaarden ontstaat zo een perverse prikkel: woningen worden rendabeler door verkamering voor arbeidsmigranten dan door verhuur aan gezinnen of starters. Daarmee verschuift de woningmarkt van wonen naar rendement met verdringing en woononzekerheid als gevolg.
Sociale gevolgen
Dit is al een patroon, zoals in delen van Den Haag, zoals Laak, Rustenburg-Oostbroek en Transvaal. Daar zien we hoe die vraag naar arbeid zich vertaalt in druk op buurten en woningen. Tegelijkertijd proberen we die druk elders te beperken door arbeidsmigranten te huisvesten op het erf of bij het werk. Dat lijkt praktisch, maar creëert nieuwe kwetsbaarheden: wonen en werken raken direct met elkaar verbonden, waardoor verlies van werk vaak ook verlies van onderdak betekent. Zo lossen we het probleem niet op, zo verplaatsen we het.
En dat is geen toeval. In economische en ruimtelijke afwegingen kijken we zorgvuldig naar stikstof, verkeer en ruimtegebruik. Maar de sociale gevolgen blijven vaak buiten beeld. De vraag wat een economische ontwikkeling betekent voor de mensen die het werk uitvoeren, waar zij wonen en hoe zij leven, wordt zelden systematisch gesteld.
Daar ligt volgens mij precies de sleutel. We zouden in Zuid-Holland voordat we ruimte geven aan economische ontwikkeling, ook moeten wegen hoe het werk is georganiseerd en wat dat betekent voor mensen die het uitvoeren. Op het werk en in de leefomgeving.
In de praktijk betekent dat concreet: provinciale sturing op: geen nieuwe bedrijvigheid zonder dat de huisvesting van werknemers is geregeld. Daarnaast ook beleid om de bewust in standgehouden (te) laagbetaalde banen, die innovaties en verduurzaming van de industrie tegenhouden, te verminderen.
Een economie die alleen kan draaien op laagbetaald werk zonder perspectief, is geen sterke economie. Daarom moeten we hogere eisen stellen: aan arbeid, aan huisvesting en aan ontwikkeling. Niet om groei te beperken, maar om haar beter te maken. Want juist dan ontstaat ruimte voor innovatie, voor productiviteit en voor werk dat wél toekomst biedt.
Dat vraagt om keuzes.
De arbeidsmigranten in onze provincies zijn daarin geen bijzaak, het zijn mensen die onze economie draaiend houden en die recht hebben op zekerheid, bescherming en perspectief.